Die speulen ook „Vakvereenïging". Werkloosheid. Mijn kippen, Spaarbanken. Schoolbaden. harmonie in Rusland, staatkundig en maat schappelijk. Hoe zich daarbij het Russische rijk in de 19e eeuw kon ontwikkelen, zal in de volgende stukken blijken. J. v. L. In Schiedam zijn tuinlieden ende daar zijn ook bloemen- of bloemkweekers. Ende deze tuinlieden en bloemkweekeren hebben zich voorzien van knechten ende deze knechten vormen een afdeeling van een bond, dewelke in z'n geheel'is genaamd: Algem. Tuinlieden en Bloemkweekersbond. Op dey eersten dag van de negende maand kwamen zij in hun bond te samen om te vergaderen over de dingen, die des vaks zjjn, ende zij betreurden het heengaan van drie leden, drie werkers in de lusthoven van Schiedam. Maar ziet, drie heeren zijn gekomen en bezetteden de plaatsen der drie werkers. En zij zijn genaamd.donateurs. En zij zijn als zoodanig de vreugd der tuinliedenbloem- kweekersknechten, die vergaderen in naam van den arbeid. De voorzitter nu sprekende, sprak Ziet, ons [doel begint bekend te worden, de heeren vallen ons toe. Is niet het doel der vakvereeniging, welbehaaglijk te zijn in de oogen der heeren? En sprekende over de loonkwestie, sprak hijOp den eersten dag van de eerste maand van het jaar onzes Heeren 1902 zal een firma aan haars zelfs knechten uitbetalen 16 ct. per uur, ende hij voegde daar niet bij goed- ende ook geen afkeuring. Een andere firma, weigerachtig blijvende, zou worden tegengestaan met een afwachtende houding. En daarna over de vergadering komende een sprake van Dahlia's, turfmolm en dorre bladen, zal voor het nageslacht verborgen blijven, hoeverre de schokking der drie- heeren-vreugde ging boven den opsprong van den moed eener afwachtende houding. Ende deze vakvereeniging zal bloeien als een Dahlia. De vorige week wezen we er op, dat werkloosheid een verschijnsel is, dat geregeld valt waar te nemen onder de kapitalistische groot-industrie. Er zijn ook werkloozen in Schiedam, van die mannen, die „zwijgend of mompelend tot elkaar" langzaam voortgaan. Ook schreven we, dat de toestand van de arbeiders in-zich-zelf oorzaak is, dat de ellende onder hen blijft voortduren. Een leerzaam voorbeeld is nu den Schie- damschen werklieden vlak onder de oogen gekomen. Twee ploegen bootwerkers hadden aangenomen de bekende stink-tabak uit de Kobold te lossen. Met hun ervaring in het vak zagen ze na eenige uren werkens, dat er geen behoorlijk loon bij te halen viel. Zij eischten een daggeld van f3.—. Dat was natuurlijk te veel volgens den aannemer van dat stank-karwei. Daarop legden zij het werk neer. En dat ligt nu nog Dat ligt te wachten op 'n behoorlijke betaling 't Mocht watDen anderen dag zat er 'n nieuwe ploeg werkvolk in, werklooze sjouwers of nooddragers. Zij togen heel gemoedelijk aan den arbeid en krijgen het loon, dat de men- schen, die 't vak kennen, veel te laag vonden. Waar moet dat heen Moeten de arbeiders hier mekaar nog opvreten Zien ze de nood zakelijkheid niet in, om eens met elkaar te praten Moeten ze in zulke gevallen niet tot overeenstemming, tot eensgezindheid komen Ligt hierin niet een vingerwijzing, dat ze zich moeten vereenigen Stel, dat de stuwadoors in 'n geschil bij het lossen van 'n boot zegt tegen de boot werkers rukt maar op, er zit nog wel 'n ploeg werklui in de stad, die 'tgoedkooper doen dan jullieWat dan? Ja, dan motten ze maar kommenzeggen de bootwerkers. Maai er zijn in zoo'n geval wel middelen om jullie in bedwang te houden, hoorMaar zoover moet het niet komen. Een eerste plicht voor de bootwerkers is, zich te vereenigen; dan althans kunnen ze nog iets anders worden dan machines die schepen leegkrabben, in of buiten werking gesteld naar de willekeur van een slok-oppigen stuwadoor. Ik heb een hok met hoenders Acht kippen en een haan, Die al een aantal jaren Tezaam door 't leven gaan. Ik hou veel van die dieren Waarom geef 'k u ten ra Ik wil u slechts verhalen Wat 'k van hen gadesla. De haan dat is de koning Van het gepluimde vee Hij deelt het zijn bevelen Door luid te kraaien meê. Maar als ik hen ga voeren Dan zie ik eiken keer En telkens met verbazing Op dezen koning neer. Want schoon de kippen haastig Zich goeddoen aan het maal Zijn Majesteit blijft wachten Op 't laatste van de schaal. En schoon hij 's avonds 't laatste Eerst plaats neemt op den stok Komt 's morgens weer de koning Het eerste uit het hok. En wen ooit een belager Zijn strik den kippen spreidt Dan is het weer de k o n i ng Die voor zijn kippen strijdt Waarom hou 'k van mijn kippen? Ik wed dat gij 't reeds gis' Zou 't zjjn omdat deez' koning Een ware koning is Colibki. De eerwaarde Nederlandsche pers vergast zich dezer dagen aan de stijgende welvaart van het Nederlandsche volk, aan de hand van de cijfers van inleg bij de postspaarbank. Juichend gooit ze den sociaal-demokraten de hooge stijging van den inleg in de post spaarbank voor de voeten en triomphantelijk voert ze daarbij aan, dat desniettegenstaande de inleg ook nog in andere spaarbanken vooruitgingDat is wat anders dan de toe nemende ellende en de voortdurende ver- armoeding van ons volk, waar de socialisten het altijd over hebben! Dat is welvaart, dames en heeren, dat is stijging van welvaart In dienzelfden tijd wees Helsdingen in de Tweede Kamer den eersten minister op de groote stijging in het aantal werkloozen en de afgrijselijke verhongering van die duizenden. En hij herinnerde aan het lage loon van nog meer duizenden, die nog wèl werk konden vinden. En de minister, die had durven spreken van een tot dank stemmenden toe stand van het Nederlandsche volk, zweeg. Hij voelde, dat een herhaling van dien leugen hem verachtelijk zou maken voor iedereen. Ieder voelt dat werkloosheid honger be- teekent, en dat lage loonen honger-kitteling wil zeggen. En ieder begrijpt, dat een ver meerdering van werkloosheid en een daling van loonen onmogelijk op vooruitgang van welvaart kunnen wijzen. Hoe is daarmee dan de stijging van den inleg in de spaarbanken te rijmen? Heel eenvoudig. Vroeger kocht ieder, die meer geld had dan hij voor zijn onderhoud noodig had, zelf zijn stukken van waarde, hetzij vaste goederen, zooals huizen, hetzij aandeelen in de een of andere onderneming. Langzamerhand zijn ook voor deze kooperij tusschenpersonen gekomen, de bankhouders, specialiteiten in het koopen en verkoopen van effecten, obligaties enz., vakmannen, die den niet-vakkundigen geldbezitters het moeie- lijke beheer van hun geld uit handen hebben genomen. Die banken hebben, evenals iedere koop man, het doel om zooveel mogelijk winst te maken en moeten dus zien zooveel mogelijk geld bijeen te krijgen in hun beheer. Aan vankelijk bepaalden de banken zich tot de bezitters van grootere geldkapitalen. Later, al maar zoekende naar meer geld om meer winst te kunnen hebben, strekten zij ook de handen uit naar het geld der kleine spaarders. Spaarbanken verrezen overal en in allerlei vorm. En deze banken hebben langzamer hand den aanloop gekregen van de kleinere en grootere spaarders, die vroeger zelf hun stukjes kochten, maar nu eenvoudig hun geld in de bank brengen: dat geld wordt dan door den bankhouder omgezet in aandeelen in allerlei ondernemingen. De stijging van den inleg in spaarbanken bewijst dus hoe genaamd niets anders, dan dat de samen trekking der kapitalen, waar Marx voor het eerst een wetenschappelijke verklaring van gaf, zijn vollen ontwikkelingsgang voortgaat. Hoe men daaruit tot een vermeerdering van welvaart kan komen, is gewoonweg onbe grijpelijk, want een veranderde wijze van uitzetting van overgelegd geld is nog niet een algemeene vermeerdering van geld-over- legging, kan zelfs samengaan met een alge meene vermindering daarvan, zooals in wer kelijkheid het geval is. In de Schiedamsch Cour. van Woensdag 9 Oct. staat nou nog eens zoo'n echt ouder- wetsch stukje van de Redactie. Men kan zoo proeven, dat de man, die het schreef, vastzit aan de inzichten van 50 jaar geleden. Zoo'n voldaan-burgerlijke lief heid tegenover de arbeiders-kinderen, zoo iets vanzoo doenen wij nou en spreken wij nou tot heil van 't opkomend proletariaat. Maar binnen de perken, hoor! D'r is 'nVolksbad huis, het volk en de kinderen van 't volk komen er niet. 't Is te duur. D'r is lief dadigheidklaar [is de kombinatie: De kinderen des volks stappen aan de hand dei- liefdadigheid in nederige dankbaarheid het badhuis binnen. M'n god, wat heb je nou ook aan het volk, als je 't niet beweldadigen kunt. Dan trekt het zoo dankbaar-eerbie digend de pet van den kop voor den wel doener, en de weldoener blaast zich op tot 'nstuk goddelijke voorzienigheid, tot 'n ne derig werktuig in de hand des Heeren, of hij schurkt zich, als 'n koe tegen 'npaal, tegen z'n groot gevoel van kunnen, tegen z'n bewustzijn van machtig te zijn boven velen. Dit in den grond zelfzuchtig gevoel bemerkt nu de Schied. Cour., zij kneedt het en knijpt het en prikt het tot misselijk wor- dens toe. Wij halen dezen zin aan van de redactie „Konden wij een paar weken geleden met zooveel genoegen mededeelen, dat een menschlievend stadgenoot door zijne mild heid de gelegenheid voor een goede 50 kinderen per week had opengesteld een verfrisschend en tevens zoo hoogst nood' zakelijk bad te nemen. Wij gelooven ook, dat dit hoogst nood zakelijk is, hoogst noodzakelijk dat een bad nemen gewoonte, daarna behoefte wordt. De behoefte aan lichamelijke reinheid en klaar heid veroorzaakt voor een wellicht niet onbe langrijk deel het ontstaan van dezelfde geestelijke eigenschappen. Maar als de hooge noodzakelijkheid van

Gemeentearchief Schiedam - Krantenkijker

De Moker | 1901 | | pagina 3