Ditjes en Datj es. „meer voor. Alleen de cijfers voor dronkenschap „waren te Rotterdam tweemaal grooter „Het gedrag van ons volk bij strratbetoogingen, „kiesrechtoptochten, stakingswoelingen en ook onze „parlementaire buitensporigheden verdienen zeker „geen strengere afkeuring dan in het buitenland. „Waarlijk, ons volk is Riet zoo onvolgzaam en „onhandelbaar als velen wel meenen." Het is niet overbodig, den laatsten zin eens goed vet 1 te drukken. Uitlatingen van rijks- en gemeentelijke auto riteiten geven ons wel eens heel wat anders te hooren. Mis schien brengt de Rotterdamsche hoofdcommissaris van politie wijziging in verscheidene autoriteits-gedachten. Voorloopig is onze hoop nog niet verbazend groot. We wenschen de reeks aanhalingen te sluiten met de volgende „Het (volk) is kalm en ordelijk, zoolang het een „bepaald doel heeft. Hier dringt zich met grooten „klem de vraag op, of onze volkssteden wel op „haar behoeften als zoodanig berekend zijn. Vervalt ons straatpubliek niet meestal tot brooddronkenheid „en bandeloosheid uit gebrek aan afleiding r Zoo „goed als goede woningen aan eischen van hygiëne „en comfort voldoen moeten, kunnen ook aan steden „eischen van een zekere moreele hygiëne gesteld „worden, in den vorm van het bezit van parken, „verenigingsgebouwen, bibliotheken, volksbaden, „speel- en sportterreinen, enz. Wat bijv. op straat „jeugdbaldadigheid is (het spelen met een bal met „onbedoeld, doch noodlottig gevolg voor een ruit) „is het op een behoorlijk speelterrein niet." Voor wie in Schiedam goed z'n oogen den kost geeft en de handelingen der christelijke autoriteiten nagaat, moet bij 't lezen van haast iederen volzin zich afvragen Wat zijn we dan toch in Schiedam in een groot aantal opzichten in gebreke gebleven Het is ons alleen jammer, dat onze plaatsruimte belet, meer van de rede van den heer Roest van Limburg over te nemen. We hebben laten zien, dat niet alleen de socialisten nog heel wat op het bestaan of eigenlijk niet-bestaan van verscheiden zaken hebben aan te merken. Aan de arbeiders in de allereerste plaats de taak, hun schouders te zetten onder veel, van wat ons wenschelijk toeschijnt. Dat zij daarmee niet te lang talmen Hun propaganda voor het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen moet het eerste streven in de goede rich ting zijn Uit den katholieken vuilnisbak. Op welke wijze de Nieuwe verslag doet van de verhandelingen in den gemeenteraad, is bekendal wie niet tot de koord dansers van Zwarte Jan behoort, krijgt al het moois, wat in het katholieke gebeden pardon, scheldwoorden- He beste propaganda is de schriftel^jken. de arbeiders. In 't begin wou hij ook wel eens mee praten, maar dat ging niet. De menschen verstonden hem maar half en hij bleef voor hen een vreemde. Er was nog een andere geregelde bezoeker van de potkamer. Dat was de fabriekseigenaar, die op zijn dage- lijkschen rondgang op het terrein ook daar altijd een poos bleef. Daar was de plaatst, waar men hem het best te spreken kon krijgen, want niet iedereen verstoutte zich tot een gang naar het kantoor, dat bij het deftige heerenhuis hoorde. Daar werden ook de weekloonen van vijf en zes gulden voor het plaatsvolk uitbetaald. Die fabrieksheer was een type van den werkgever naar het oude systeem. Hij kende z'n luidjes bij naam en toenaam en hij wist alles van hun familieomstandig heden af. In z'n gemoedelijke buien maakte hij graag een praatje, haalde herinneringen op en hield ook wel van een grap. Maar een uitzuiger was hij tevens in de perfectie. De arbeiders dienden hem met lijf en ziel tot ze niet meer konden. En als dat oogenblik aanbrak, als 't bepaald niet meer ging, dan één van beiden of ze gingen inwonen bij kinderen, of kregen een plaats in 't werkhuis. In ieder geval was de band tusschen hen en de fabriek verbroken. Wat er dan nog afviel was goed heid. En 't was geen zeldzaamheid, zoo'n ouden, afge- dankten arbeider op een mooien dag voorbij 't kantoor te sien strompelen en nog eens terug en nog eens weer, eerbiedig de pet van z'n grijze hoofd lichtende voor het raam, waarachter hij woonde, of hij er ook uit zou komen en vijf centen of misschien wel een dubbeltje stoppen in die krachtelooze hand, die een heel menschen- leven voor hem gewerkt had. De verhouding tusschen den ouden heer en den ouwen Freek was in 't begin nogal vriendschappelijk. Ze maak ten samen wel eens een praatje en ik heb een sterk vermoeden, dat een gesprek over het natte weer, waarbij dan gevoeglijk zekere lekke klompen konden te pas ge bracht worden, wel eens goede gevolgen voor Freek's schoeisel gehad heeft. Maar die weelde van een veilig onderdak met hetgeen er nog bij kon komen, duurde niet lang. Freek kreeg een slechten naam. Er werd van hem verteld, dat hij niet zindelijk aan z'n lijf was. Nu heb ik 't feit zelf nooit geconstateerd, maar ik geloof wel, dat men gelijk had. Gegeven de huiselijke omstandigheden waarin die oude man verkeerde, de enge behuizing, de onbekendheid met boek te vinden is, op z'n arm hoofd. En ieder weet, dat is niet weinig We geven hier weer eenige voorbeelden van jongsten datum Na het uitstellen van de later te bespreken inter pellatie van vroede de Bruin natuurlijk allereerst het onderzoek van de geloofsbrieven der nieuw gekozen leden, de heeren J. van Katwijk en C. H Scheffers. Vroede De Bruin had de eer in de „commissie" benoemd te worden, een eer die hem niet zoo druk in den Raad ten deel valt. Hij had dus alle gelegenheid zijn op- en aanmerkingen te makenmaar 't scheen ditmaal puik in orde te zijn de commissie adviseerde bij monde van den heer De Graafif, die met mr. Kavelaars mede van de commissie deel uitmaakte, blijkbaar unaniem tot toelating van de nieuw gekozen leden, waartoe de Raad dan ook overging. Hiermede bewijst de malloot alleen, dat als de zaken in orde zijn, de Bruin geen aanmerkingen maakt. Dat complimentje ontsnapt hem En ten slotte kwam in deze veelbewogen zitting de interpellatie van vroede De Bruin over het niet aanplakken van de biljetten van den Nieuw Mal- thusiaanschen Bond. Zeker zou 't, zooals meerdere leden terecht inzagen, 't best geweest zijn, het verlof tot het houden van deze interpellatie te weigerenhet gezag van den burgemeester voor deze geheel persoonlijke beslissing staat toch zoo hoog, dat hij daarvoor geen verantwoording aan den Raad heeft te doen. Toch heeft de beant woording van den burgemeester zeker alle welden- kenden voldaan. De heer Honnerlage Grete heeft getoond, dat hij op het gezag, hem van hoogerhand gegeven, geen inbreuk duldt. De werkelijk fiere en besliste wijze waarop hij den rooden vroede, pleit bezorger van den Nieuw Malthusiaanschen Bond, beantwoordde, met de stellige verzekering, dat hij 't bij voorkomende gelegenheid weer zou doen, heeft zeker bij allen, die 't met de openbare zede lijkheid wel meenen, een goeden, weldadigen indruk gemaakt. Als ge in zuiver katholieke streken (Limburg en Braband) eens een kijkje neemt, zult ge wel hartelijk mee-lachen om de bewering, dat het de katholieken zijn, die het wèl meenen met de openbare zedelijkheid. Het Handelsblad had juist vorige week nog een pijnlijke beschrijving der karnavalsfeesten te Maastricht, waar de openbare zedelijkheid het leelijk heeft moeten ont gelden Vroede De Bruin, de pleitbezorger van den Nieuw Malthusiaanschen Bond Dat was nog niet vertoond. In deze Carnavalszitting hebben wij 't te zien ge beuren. Mogen de kiezers, die het volgend jaar wellicht hebben te oordeelen over de hernieuwing Helpt daarom „De Moker" aan abonnees! de allereerste eischen van reinheid, hoe zou hij zindelijk hebben kunnen zijn Van 't oogenblik af, dat Freek z'n slechten naam kreeg, werd hij geschuwd. En 't duurde niet lang, of de potkamer was voor hem verboden terrein. De fabrieks eigenaar belastte één van de oudere arbeiders met de opdracht, om den schuldige zijn vonnis mee te deelen Zelf deed hij 't liever niet. Een mensch houdt toch altijd z'n gevoel en vooral een fabriekseigenaar kan heel ge voelig zijn. Maar 't duurde toch wel een week, eer 't zaakje gezond was. Want de arbeider die de boodschap moest overbrengen, had er ook niet veel zin. En daarom probeerde men eerst, om door een veranderde houding aan Freek te doen begrijpen, dat hij niet welkom was. Zijn groet werd niet beantwoord, en als er gelegenheid was, kreeg hij te hooren, dat men hem missen kon. Ook werd 't bankje, waarop hij altijd zat, in een veilig hoekje weggeborgen. Dat alles zal den ouwen Freek wel zeer gedaan hebbenmaar hij bleef er niet om weg. Want z'n huiverende, slecht gevoede en gekleede lichaam snakte naar de lekkere warmte van die groote kachel. Toen moest dan de knoop maar doorgehakt worden en op een morgen, toen Freek weer binnengekomen was en zich stond te koesteren bij de kachel, zei Dirk 't hem maar ronduit, dat hij niet meer in de potkamer mocht komen. De heer van de fabriek had 't verboden en hij wist 't nu. Ik ben er niet bij geweest, maar ik denk dat Freek er niet veel op geantwoord heeft. Wat viel er te praten De wil van den heer was de hoogste wet en daartegen redeneerde je niet. Wel weet ik, dat hij 't een dag of wat later toch waagde, om hem aan te spreken. Zonder succes evenwel, want de eigenaar zei kortafNeen draaide zich om en ging verder. Maar 't bleef toch erg koud en Freek bleef zich daarom bezig houden met de vraag, hoe hij van al de warmte die de industrie noodig had, een klein deel kon opvangen, zonder iemand in den weg te loopen. Daarom zocht hij zijn toevlucht op de plaats in de fabriek waar de kolen lagen, vlak bij den oven. Zitten kon hij er niet en staan hield hij ook niet lang uit, want 't was er te laag, zoodat hij zich bukken moest om zooveel warmte te krijgen als hij noodig had. Maar dat was ook gauw uit, want de stokers zagen hem liever niet, alweer om z'n slechten naam en 't werd van het mandaat van dezen rooden vroede, dien velen nog zoo kwaad niet vinden, 't onthouden Inderdaad, deze vrome wensch komt uit het hart. En de zwartjes zullen wel een ernstige poging wagen om den roode vroede te wippen, dat gelooven we dadelijk Maar onzerzijds konden wij een ernstige poging wagen om den zwarten vroede Everts uit district III door een roode te vervangen, want 't is gewoonweg een schande, dat zoo'n konservatieve klerikaal voor het zoo goed als roode district III zitting heeft. 't Zal er om gaan, wie 't sterkst is. Welnu, wij willen probeeren het te winnen Drukle voor niets. Het Schied. Volksblad bevat notabene anderhalve kolom aan kritiek om een paar verkeerde cijfers, die in De Moker onlangs genoemd zijn, bij gelegenheid der raadsverkiezing. Er werd op gewezen dat „de Hanze", de kath. Volksbond en de Oranjevereeniging met gemeentegeld gesteund zijn, ter wijl zooveel noodige zaken, niet alléén voor katholieken van belang, worden verwaarloosd. Als het Schied. Volksblad zich niet zoo onnoozel wilde voordoen, had het kunnen snappen, dat het hier geen kwestie is van meer of minder, maar van principe. Wij wenschen het gemeentegeld besteed te zien ten algemeenen nutte en het niet te zien opgeslokt door een of andere sekte. Dit in het licht te stellen was de bedoeling van ous stukje, maar daarover heeft het Sch. Volksblad geen woord. En dat spreekt dan nog van „Volksbedrog"! De redacteur zat zeker voor den spiegel toen hij 't neerschreef Gemeenteraad. Op de agenda voor de Raadszitting op 5 Maart a.s. komt o.a. voor Voorziening in de vacature, ontstaan in de vaste Raads- commissiën (Strafverordeningen, Gemeente-werken, Bouw verordening.) Benoeming van een Raadslid tot lid der Comm. v.h. Stads ziekenhuis. Idem van leden in de Comm. v. Toezicht op de Arbeidsbeurs. Benoe ming van een klerk ten kantore der Gem. Arbeidsbeurs. Voorstel om ten laste v./h. Grondbedrijf voor straat- aanleg een crediet toe te staan van f 550.—. Wijziging van de schoolgeldheffing aan den Handelsavondcursus, wegens gemaakt bezwaar door den Min. v. Binnenl. Zaken enz., enz. Waar de Roomschen de baas zijn. Het volgende snuifje werd ons gepresenteerd door de chr.-hist. Neder lander van Zaterdag 27 Januari 1.1., hetgeen we den anti-revolutionairen broeders ter lezing aanbevelen Wederinvoering der Inquisitie. Een der dagbladen van Nivelles (in België) wil, dat men de misdaad van ketterij weer herstelle. Ziehier met Wekt al nw vrienden op zich te abonneeren! hem te verstaan gegeven, dat men hem in de fabriek niet gebruiken kon. En daar buiten die glashut, met z'n gloeiende ovens, die de arbeiders 't zweet uit 't lichaam joeg, liep de ouwe Freek rond, hunkerend naar een beetje warmte. Nog gaf hij den moed niet op. Hij wist nog één toevluchtsoord en daar zou hij toch wel niet vandaan gejaagd worden. Dat was een gewelf onder de fabriek, waar de rooster van den oven lag en waar de sintels neervielen. Die donkere gangen waar in 't miden hoog boven je hoofd de gloeiing van de reusachtige rooster op je neerstraalde, had voor ons een geheimzinnige bekoring. We speelden er wel verstoppertje of maakten er elkaar bang met verhalen van roovers, die er 's nachts gingen slapen. Daar zagen we dan Freek ook wel eens staan. Erg warm was 't er niet en 't kon er zelfs leelijk tochten, want voor den oven moest er natuurlijk trekking zijn. Maar Freek vond 't er alles samengenomen toch nog beter dan buiten. Zoo heeft dat toen een jaar of wat geduurd. Freek's welstand werd er niet beter op. Ik herinner me, dat ik hem eens zag loopen met 'n grooten winkelhaak in den knie van z'n broek, zoodat je z'n bloote been er door heen zag. Daar werd toen schande van gesproken onder de buren, die ouwe man zoo te laten loopen En op een morgen hoorde ik dat Freek dood was. Hij was wel een veertien dagen ziek geweest, maar niemand had er wat van gemerkt. Den avond voor zijn dood had hij den wensch uitge sproken om den baas en z'n vrouw nog eens te zien. Die waren altijd vriendelijk voor hem geweest en van hen wou hij afscheid nemen. Zij klommen de zoldertrap op en vonden hem daar liggen, ergens in een hoek te midden van de slaapplaatsen van zes of zeven kinderen, die allen in diepe rust lagen. Hij heeft toen nog wel wat gezegd, maar ik geloof niet, dat de bezoekers er veel van begrepen hebben. Moeilijk te verstaan was hij altijd zooveel te erger nu hij daar naar adem lag te snakken. En den volgenden morgen was hij dood. Van de kou had hij geen last meer en liep niemand meer in den weg J- J-

Gemeentearchief Schiedam - Krantenkijker

De Moker | 1912 | | pagina 3