Een stad vol sloppen
Van oudsher behoorde Schiedam tot
de Hollandse steden. Met uitzondering
van een tussenperiode van de Franse
tijd hadden deze een bijzondere positie.
Onder de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden bepaalden ze mede het
beleid van Holland en bemoeiden ze zich
zelfs met de buitenlandse politiek. In
het Koninkrijk der Nederlanden hadden
de steden vanaf 1814 stemrecht bij de
samenstelling van de Provinciale Staten.
Met de invoering van de Grondwet in 1848
verviel het staatsrechtelijk onderscheid
tussen de honderdvijftien steden
die Nederland officieel kende en het
platteland. De gemeente werd de eenheid
van lokaal bestuur. Hoewel er juridisch
sprake was van gelijkschakeling bleef het
onderscheid tussen stad en platteland
echter economisch, demografisch,
sociaal en cultureel groot. Het is daarom
datAuke van der Woud, hoogleraar
architectuur en stedenbouwgeschiedenis
aan de Rijksuniversiteit Groningen,
de Nederlandse stad als uitgangspunt
neemt in zijn geschiedschrijving van de
negentiende eeuw.
Zijn aangrijpingspunt is de sterke bevolkingsgroei die in die
steden na 1850 plaatsvond als gevolg van de migratie van het
platteland naar die steden en die Nederland veranderden in
een grotendeels stedelijke samenleving. Ook Schiedam laat
die groei zien. Uit de cijfers die de auteur geeft van de steden
blijkt dat Schiedam in 1840 12.036 inwoners telde, in 1900 was
dit aantal meer dan verdubbeld, tot 27.096. Die groei leidde tot
het ontstaan van achterbuurten, riep vragen op naar de aanleg
van sanitaire voorzieningen en het opruimen van vuil. Het is
een geschiedenis die nog maar weinig in overzicht beschreven
is. Dat heeft mede te maken met het gegeven dat de mensen
om wie het gaat niet zelf de pen ter hand namen of aan
het woord kwamen in het publieke domein. We moeten het
vooral hebben van degenen die zich hun lot aantrokken, zoals
sommige artsen, predikanten, romanschrijvers, ingenieurs,
vaktijdschriften van ingenieurs en artsen en dergelijke. Mede
op grond daarvan is Van der Woud erin geslaagd om een
indringend beeld te schetsen van hoe veertig procent van de
bevolking die in de steden in diepe armoede en in erbarmelijke
omstandigheden leefde: in krotten, die vochtig en koud of in
de zomer juist benauwd waren, te midden van vuil, stank en
ongedierte. De sterftecijfers, van kinderen en ouderen, waren
hoog. Het was pas aan het eind van de negentiende eeuw dat
de sociale kwestie, en die van hygiëne (hoe de vuilophaal te
organiseren, het al dan niet aanleggen van drinkwaterleiding
Musis 30
Het Sint Janshofje achter het Oude Kerkhof
Hofjestoegang Lange Achterweg