52"<e jaargang. N°. 9739. Eerste Blad. De QemeenteDeirootini voor 1899. Zondag'f25 en Maandag 26 September 1898. f I DE GELDDUIVEL Verschijnt dagelijks, uitgezonderd Zon- en Feestdagen, ïïitgeveeT"él j. c. roelants. I I FETJILLETOIsr. 1 «i j Parotte,? Cecilia had in pen lango; diepe on- MÉNLMi). Cecilia had de oogen gesloten. „Alleen hot af- JS AsOjnrasnurami» mi Sohied&m, per kwartaal f 0.90 n omliggende plaatsen, p. kwart. 1.05 franco por post, p. kwartaal. 1.30 Afzonderlijke nommers0.02 BUREAUnOTERSTKAlT ff©, Telephoon No. 13%. AnyEiraaOTntrHWB: van 1—5 gawono regels mot inbe grip van cono Courant ledera gewone regel moor abonnement wordt korting verleend. f 0.52 - 0.10 i '4k m S3 it 9. IV. {Slot.) Tot nu toe hebben wij aan de begrooting be trekkelijk zeer weinig cijfers ontleend, omdat de waarde daarvan in een couranten-artikel proble matiek is. Men beeft er bitter weinig aan. of er adder elkaar gansche risten van begroo- tingsposten wordt opgenoemd, gelijk in enkele bladen gebruikelijk is slechts wanneer men ter vergelijking tevens beschikt over een aantal be grootingen van vroegere dienstjaren en daar.no- vens van sommige gemeenten van gelijke grootte en niet al te zeer afwijkende conditie, kan men uit de bloot© cijfers eenige conclusie trekken. "Wij zullen ons daarom ook thans niet ophou den met het aan onze lezers voorleggen van dorre getallen, noch met het zonder commentaar over drukken der begrooting. Slechts willen wij, nu in een drietal artikelen de begrooting van het volgende dienstjaar uit een algemeen oogpunt bezien is, nog enkele op merkingen maken betreffende onderdeelen. Het eerst denken wij hier wel aam de werken aan de Maas. In 1897 werd hieraan besteed voor het oost waarts verlengen van den strekdam, eene som van f 15,997voor 1898 werd het te verwerken bedrag geraamd op f 155,616, wegens het ma ken van. een loswal met spoorwogaansluiting; voor 1899 schat men het benoodigde op f 50,000 voor den aanleg van een strekdam in de Maas, ten oosten van de Buitenhaven. Deze drie bedragen zijn zoozeer van elkaar af wijkend, dat de vraag zich opdringt, hoe het toch gesteld is met het plan om geregeld aan deze werken voort to gaan, zonder in een enkel jaar de begrooting al te zeer te belasten. Zeer zeker zal bij liefc afdeelingsonderzoek ook op dit punt door de leden van den gemeenteraad gewezen worden en zal uit het eventueel© ant woord van het Dagelijksch Bestuur de burgerij een juister inzicht in het plan onzer havenuit- breiding krijgenthans weet men officieel noch wat eigenlijk de definitieve plannen beoogen, noch wanneer onze havens gereed zijn voor do ontvangst van zeeschepen in transito-verkeer, gelijk men zich dat voorstelt. Al mogen er za ken zijn, die het heter is in dit stadium nog niet t© publieeeren, op een algeraeene schets heeft o. i. DOOR S. WÓRISHÖFFER. 17) „De ben jaloerseh op dien. Hans Adam!" Voortdurend weerklonk nog in Erik's ziel het brutaio woordjaloerseh Een stroom van bittere, wanhopige gedachten vond daarin zijn oorsprong. De eenzame man dacht aan hetgeen Buth. hom in dezen nacht had gezegd„Hans Ad^m heeft zorgen I" Was het niet of zij iedere smart met hem voelde, iedero vrees waardoor hij gekweld Werd als leed zij waar hij leed? Met eeu snellen ruk doofde Erik de lamp uit, baalde het venstergordijn op en keek naar bui- ton, Do eerste zonnestralen van den jeugdigen dag speelden ginds om den slottoren van Moldt ©en witte nevelsluier hing over de akkerszilve ren dauw lag op blad en bloesem. In diepe ontroering borg Erik het bleeko ge laat in de handen. Moest hij alles wat hem in dit leven toebehoorde, al wat hij hoopte en ver langde, tegelijk prijs geven en, dat alles voor een die het spelend verkwistte, zooals hot kind ach teloos bloemen ontbladert 1 Een treurig, ontzettend lot. de burgerij, die do noodige penningen moet bij dragen, recht. Een tweede post, die alle aandacht vraagt, is post 101 uit de begrooting, nl. die betreffende de waterverversching, Ook dit jaar is deze „me morie" uitgetrokken, d. w. z. dat van het Dage lijksch Bestuur in 1899 geen voorstellen in deze te verwachten zijn. Hoowel wij oordeelen, dat in het volgend jaar en in het algemeen, zoolang de stad niet be schikt over een voldoend rioolstelsel, de quaestie der waterverversching niet voor oplossing vat baar is, zouden wij het toch anderzijds zeer op prijs stellen te vernemen of nog steeds dezo be langrijke aangelegenheid een voorwerp uitmaakt van aanhoudend onderzoek en zoo ja, wat dan wel het stadium is, waarin dit onderzoek ver keert. Het zoude gewenscht zijn te vernemen of ook B. en W. meenen de beslissing te moeten uit stellen, tot een afdoend plan van rioleering der stad is uitgevoerd, dan of het niet aanvatten dezer zaak op andere oorzaken berust en zij van meening zijn, dat onafhankelijk van een stelsel van afvoer van hemel- en menagewater en faeca- liën door ondergrondsche leidingen met recht- streekschen afvoer naar stroomend water, toch het vraagstuk kan opgelost worden. Aan het vraagstuk der waterverversching sluit zich aan dat der gemeente-reiniging. Het vorige jaar is wij hebben het toen uit voerig besproken de reiniging der stad in ge meentelijk beheer overgegaan; de kosten wor den voor 1899 even als voor het vorige jaar ge raamd op f 22,000, ongeveer wat vroeger aan de paehtster betaald werd. Echter zochten wij onder de inkomsten, te vergeefs naar een post, „opbrengst der gemeente-reiniging". Dat er absoluut geen baten zijn is niet welaan te nemenhetgeen van de openbare plaatsen en aan afval uit particuliere huizen wordt bijeenge gaard heeft in elk geval, zij het ook geringe, waarde, en al ontbreekt hier een eompost-inrich- ting, de verzamelde faecaliën kunnen niet te niin tegen zekere prijzen van de hand gezet worden. Wij vermoeden dus dat de opbrengst van de aschtaa! onder andere posten ia verdwaald en onvindbaar is geworden in de begrooting. Ook hierop zal echter wel te zijner tijd gewezen wor den. Wij meenen thans eene opmerking te moeten maken in verband met vroegere omtrent bezuini ging; in het algemeen schijnen ons de posten macht gelegen. Terwijl trompetten en. violen be neden in de zaal de gasten ten dans noodden, was Adèle met haar zieke meesteres bezig, tot dat de borst in zwakke ademhaling weer op en neer ging, totdat Cecilia de oogen opende en zacht fluisterend den naam der slanke jonge dame uitsprak. „Adèle!" „Hier ben ik, mevrouw." „Adèle, heeft de baron naar mij gevraagd?" „Verscheiden malen zelfs. Hij is bezorgd en verdrietig en zucht, die arme mijnheer." „En dat alleen omdat ik ziek ben, omdat ik geen vermaak, geen feest met hem kan deelen. Door zijn huwelijk met mij is alle geluk hem ontgaan." moest u niet opwinden, mevrouw. U heeft koorts." „Geef mij mijn druppels, Adèle. En dan je naoogt niet hier in do ziekenkamer blijven ter wijl men beneden danst en juicht. Zend mij mijn kamenier en ga zelf naar beneden bij de gas ten." De gezelschapsjuffrouw schudde het hoofd. „Nooit, movrouw, o God, nooit. Als er het minste ongelukje gebeurde ik zou nooit weer mijn gemoedsrust terug krijgen." De barones zuchtte heimolijk. „Ben ik dan zoo org, zoo org ziek, Adole? Zou ik in geen ge val weer beter kunnen worden?" „Mevrouw zal, wanneer zij do noodigo voor zorgen in. acht neemt, nog vele jaren loven; dat hebben de dokters mijnheer den baron verze kerd." Cecilia's doorzichtige, slanke witte handen la gen gevouwen op den dekon, „Loven", herhaal de zij treurig, „maar niet genezen. Adèlo, is dat voor onderhoud van gemeonto-eigendommoa zeer hoog. Als voorbeeld wijzen wij hier op het stad huis. Wij vinden onder post 81 der uitgavenkos ten van het onderhouden en schoon houden van hot gebouw of vertrek, bestemd voor do verga deringen van den Raad en van Burgemeester en "Wethouders, mitsgaders van de secretarie der gemeente f 1200. (Werkelijke uitgave in 1897 f 1432.) Dit bedrag is bestemd tot bekostiging var hot onderhoud en schoonhouden van het Raadhuis. Wanneer wij nu weten, dat hot Raadhuis voor f 48,000 verzekerd is en dit bedrag derhalve do waarde van genoemd gebouw vertegenwoordigt, dan wil het ons voorkomen, dat een post van ƒ1200 voor onderhoud en schoon houden veel te hoog is. Van een huis van ƒ48,000 maakt men nau welijks het dubbele van dien post aan huur en stellig niet in onze gemeentegeen huiseigenaar zal dan ook aan eigen of verhuurd huis een even redige som aan onderhoud besteden. Nu willen wij niet over enkoio honderden guldens vallen, maar toch achten wij het goed, vooral met het oog op de volksopinie, dat eene gemeente niet goedkoop huishoudt door wel ke opinio vaak nuttige zaken onmogelijk wor den hierop te wijzen. "Waar antecedenten zijn in deze gemeente van te kostbaar onder houd van half openbare instellingen, zal men wel doen dezen post nog eens aan een nader onder zoek te onderwerpenmen kan dan tevens vra gen of post 82„aankoop en onderhoud van meubelen ton behoeve van het Stadhuis 450", niet wat hoog iserg vorstelijk is het ameuble ment ten Stadhuize in de meeste lokalen niet en heb blijft ons raadselachtig, hoe telleen jare er nog voor f 450 kan worden aangekocht. Was er bij de begrooting een onmisbare uitvoerige toelichting gevoegd, misschien dat deze opmer kingen in de pen zouden hebben kunnen blijven. Eindelijk nog een enkel woord over post 120, waarop figureert; „wedde van den torenwach ter f 365". Zoude het geen tijd worden dezen post, voor dit onderdeel, te doen vervallen en over te brengen naar „wachtgelden en pensioe nen" in de toekomst zouden wij dan van dezo absoluut nuttelooze uitgave ontbloot worden. Met eeno opmerking, die ons blijde stemt, willen wij ouzo beschouwing eindigen. Met groo- te voldoening hebben wij gezien, hoe ook voor het volgend jaar weder 500 is uitgetrokken voor de inrichting van ons archief- Met dien irwminmiwroTrg post eert de gemeente zich zelve; misschien is het gowenschb, althans voor do eerste jaren, oen volgend jaar dit bedrag iets liooger to stollen; zeer zeker zal de gemeenteraad daartoe gaarne de noocligo medewerking verleenen. Thans heb ben wij ten minste een archief, dat langzamer hand begint bruikbaar to worden. Antwoord der Koningin. Het weder-antwoord der Koningin op het adres van de Eerste Kamer der Slaten-Goneranl, Ier beantwoording van de troonrede, op den 23sten September 1898 luidt; Mijne Hoeren I Met voldoening verneem ik dat de Eerste Kamer der Staten-Generaal bereid is om ten nutte van het vaderland en zijne overzeeselie gewesten te arbeiden aan de belangrijke en veel omvattende taak, die haar wacht. Ik verzoek U, Mijne Hemen, aan de Kamer de betuiging van Mijnen dank te willeu over brengen voor haar adres van antwoord. niot verschrikkelijk, is dat niet onnoemelijk troosteloos „Tracht wat te slapen, mevrouw, en spreek nu geen word meer. Dat doet u allemaal kwaad." „Neem deze stoelZooHoor je do mu ziek wel? Wat klinkt en schalt dat! Wat clau sen da gasten vroolijk I" „Zal ik naar beneden gaan en zeggen dat het gedruisch u hindert? Waarlijk, het „Neen, neen, om Godswil niot! Maar ik wilde jo een vraag doen, Adole. Denk je ook niot, dat het zondo is, iemand aan een eens ge geven woord met ijzeren ketenen te bindeu, wanneer men diep in 't hart voelt dat de voor waarden waaronder de band werd geknoopt, reeds lang niot meer aanwezig zijn? Gelijkt een dergelijke eisch niet precies op tyrannie Juffrouw Malton hield haar gelaat wijselijk in de schaduw der lamp, waarvan hot licht voor een deel werd tegengehouden door een kap. Bij de woorden der barones verschoot zij opeens van kleur; het flikkerde op in de donkere oogen, maar uiterlijk bleef zij bedaard. „Ik geloof van wel, mevrouw." „ZooMen zou dus hem wiens levensgeluk bedreigd schijnt, de vrijheid moeten geven. Is het zoo niet?" „Men moest?" herhaalde de gezelschapsjuf frouw. „Men moest? In hot algemeen wellicht niet; maar des to zekerdor in één geval, in het eenigo wel waarbij hot er op aan kan komen." „Je meent de liefde, niot waar, Adèle? Wie bemint, dio kan ook met vreugde ieder offer brongen, zij het ook zijn leven." „Dat geloof ik." Aflres van Antwoord. Het gewijzigd ontwerp-adres van antwoord van do Tweede Kamer op do Troonrede luidt als volgt: „Mevrouw Do inhuldiging van Uwe Majesteit was de aanleiding tot eene indrukwekkende openbaring van de gevoelens van vaderlandsliefde en ge hechtheid aan het Huis van Oranje, welko liet Nederiandsche Volk bezielen. De hernieuwde be vestiging van den band tusschen Vorst en Volk verlevendigde het besef der nationale eenheid. Diep werd gevoeld hoeveel Nederland verschul digd is aan het Doorluchtige Stamhuis, dat die oenheid vertegenwoordigt. Do Tweede Kamer der Staten-Generaal stemt ten volle in met de geestdrift en het blijde ver trouwen door de natie betoond. Het is onze be geerte Uwe Majesteit in do vervulling van Haro liooge roeping getrouw ter zijdo te staan. Moge Uwer Majesteits regeering, onder Gods zegen, strekken tot beil var> het Koninkrijk Aangenaam was ons de verklaring, dat de toestand van Land on Volk in menig opricht be vredigend is en dat de betrekkingen ineb do Bui- tenlandscke Mogendheden zeer vriendschappelijk blijven. Met groote belangstelling namen ook wij ken nis van het voorstel van Zijne Majesteit den Keizer vau Rusland tot het houden eener con ferentie, waarin door vertegenwoordigers van alle Mogendheden zal worden gehandeld over be perking der krijgstoerustingen. Mot ingenomenheid vernamen wij, dat de in Atjeli verkregen uitkomsten het vertrouwen op duurzame verbetering van den staat van zaken m dio landstreek wettigen. Van harte stemmen scheid!" fluisterde rij met beklemd hart. „Het bange scheidenHet onweertAdèle, wil jo do ramen open zetten?" Het meisje huiverde. „Maar dan zul!on wij do lamp moeten verwijderen, mevrouw, en dan zien wij don bliksem." „Dab is goed, Adèlo. Hoor je den storm? Ik houd van den storm." Do gezelschapsjuffrouw gehoorzaamde mot weerzin. Buiten flisten do bliksemstralen over het zwarte hemelgewelf in klcurigo gouden pracht, het ruischte iu de toppen en kletterend sloegen groote druppels tegen do vensters. „Wat doet dat goed!" fluisterde do zieke, „Men is dichter bij de eeuwige machten; do kleine eischen van hot leven verdwijnen, en er komt een stil vertrouwen over den inensch." Adèle hield beide oogen toe. „11c ben bang," bekende rij huiverend. „Do dood hooft zijn hand over ons. Wie zou plotseling opontboden willen worden? Cecilia antwoordde niet. Beneden in do zaal verstomde de muziek; het eeno rijtuig na het andere reed voor, en eindelijk werden tie deuren van heb liuis gesloten. Hot omveer had uitge raasd; alleen de wind blies nog met ongewone kracht en wierp wolken van gele bladereu dooi de openstaande ramen. De gezelschapsjuffrouw zat onbewegelijk voor het bed haror slapende meesteres eu wio haar gezien had, die zou bemerkt hebben, dat onrus tige., dwalende gedachten haar ziel vervulden. Do donkoro oogen staarden in het onbestemde; do handon lagen werkeloos gevouwen in haar schoot. {Wordt vervolgd.)

Gemeentearchief Schiedam - Krantenkijker

Schiedamsche Courant | 1898 | | pagina 1