(^NIEUWS 20 netjeEn toen begonnen de Langwarder klokken opnieuw te luiden, maar nu allebei tegelijk. De grote klok zong maar: „Kom kom kom en de kleine babbelde: „Terug terug terug Het klonk zo luid en dringend, dat Ekke een gevoel kreeg of het ijskoude zeewater hem over de rug gutste. Hij greep weer naar z'n tabakszak en stak van angst zo veel blaadjes tegelijk in z'n mond, dat hij zich bijna verslikte. Maar het hielp dit keer helemaal niet De visser met de rode muts stapte rustig de zee in en wenkte Ekke hem te volgen. Maar Ekke had er plot seling genoeg van. Hij wierp zich het net vol bot over de schouder, en toen was hetrennen, rennen, ren nen naar het strand zoals hij nog nooit gerend had. Maar de golven renden achter hem aan en die konden het heel wat vlugger. Ze kwamen uit de zee op en schoven over het land. Ze likten Ekke aan de hakken, ze spoelden om z'n enkels, ze pakten hem bij de kui ten, ze plasten om z'n dijen Lopen kon hij al gauw niet meer: hij moest waden En dat zou ook niet lang meer duren, want de zee reikte hem al tot het middel Dan maar zwemmenEkke gooide eerst het net met bot weg, stortte zich toen voorover in de gol ven en daar zwom hij heen, met de hondjesslag op het strand aan. De tabak had hij onderweg allang uit z'n mond geproest en de rest in de slippen van z'n pand jesjas was zó nat geworden, dat je ze wel kon uit wringen. Ineens werd het water weer glad en trok zich achter de slikken terug. Ekke behoefde nu niet meer te zwem men: hij kon weer gewoon lopen, eerst over de vlakte, die met een groen zeekruid was begroeid, toen bij de helling van de dijk omhoog. En daar stond hij nu, druipend van het water; plukken zeewier en mossel schelpen in het haar. Hij keerde zich om en tuurde over het Wad, of hij ook ergens de rode muts van de dwerg kon ontdekken. Maar neen, er viel niet het kleinste spikkeltje rood te bespeuren. „Wie zou het toch geweest zijn" peinsde Ekke. „Mis schien de Droes of duivel in eigen persoon, die hem een poets wou bakken?" Ekke kwam thuis, druipend van het water. „Heb je een goede vangst gehad?" vroeg Maaike spot tend. „Of heb je zélf soms voor botje gespeeld?" Ekke zei niet veel. Hij vertelde in t kort wat hem op 't Wad was overkomen, maar Maaike geloofde er geen woord van. „Een visser met een rode muts?" lachte ze ongelovig. „Je kunt me wel méér vertellen! Trek je natte spullen maar gauw uit!" Even later wapperden de pandjesjas en de zondagse Droek van Ekke aan de lijn en de visser zat met een paar bosjes stro in zijn klompen verdrietig voor zich uit te kijken. „Vrouw, haal eens gauw een zakje tabak voor me," vroeg hij aan Maaike. „Dan neem ik nog een pruimpje voor de schrik." „Het is zondag en dan zijn de winkels dicht," ant woordde Maaike. Ekke moest het vandaag zonder tabak doen. Dit was het ergste wat hem kon over komen. Tenminste, dat méénde hij. Want het allerergste had Maaike nog achter de hand. „Ik heb wat bedacht, Ekke," plaagde ze. „In 't vervolg zeg ik tegen iedereen, die wat bereiken wil en het lukt hem niet: Heb je óók bot gevangen? Net als Ekke?" Ekke vond het lang niet aardig, maar daaraan stoorde Maaike zich niet. En zo spreekt men tegenwoordig nóg van bot-vangen. Alleen de naam Ekke hoor je nooit meer noemen: die zijn de mensen allang vergeten. Jullie en ik kennen hem nu weer, maar wij vertellen het heus niet verder. Die arme Ekke heeft immers al genoeg gehad met het griezelige mannetje, zijn plage rige vrouw en zijn natte tabak. Daar hoeft heus niet méér bij.

Gemeentearchief Schiedam - Krantenkijker

Wilton Fijenoord Nieuws | 1962 | | pagina 22